Bijlage tweede nieuwsbrief Boeren en AgroBiodiversiteit

Mogelijkheden voor een voercentrum vragen nadere verkenning
Naast de biodiversiteit in de bodem en het veld, gaat het in dit project ook over samenwerking en versterking van de regio. Daarin past heel goed het onderwerp regionaal voercentrum. Op 3 november kwamen ruim 30 geïnteresseerden luisteren naar de ervaringen en achtergronden die Paul Galama (als één) van de aanjagers ter sprake bracht. Paul schetst dat voercentra interessant kunnen zijn voor kleine bedrijven die problemen hebben met voldoende voersnelheid en grote bedrijven die problemen hebben met arbeid, verkaveling of bouwblok. Naast veehouders waren er ook loonwerkers, voeradviseurs, dierenarts en een akkerbouwer aanwezig. Veel vragen over de uitvoering, wat twijfels of het echt wat oplevert en niet meer ‘energie’ kost. Toch bleek tijdens de discussie dat de meeste positief staan tegen deze nieuwe ontwikkeling. Vooral de arbeidsbesparing, betere kwaliteit voer (omdat broei minder probleem zal zijn) en de lagere kosten spraken aan. Ook werd geconcludeerd dat weidegang en een regionaal voercentrum heel goed kunnen samengaan. Juist dan is voersnelheid een knelpunt wat in gezamenlijkheid kan worden opgelost. Iedereen was het ermee eens dat dit onderwerp een nadere verkenning en inventarisatie in de regio vraagt. Zaken als grootte voercentrum, samenwerkingsvorm (particulier of coöperatief), samenwerking met akkerbouw, leverancier grondstoffen, waar voer opslaan en waar voer mengen, benodigde protocollen en uiteraard economie van deelnemers (melkveehouders, voercentrum en akkerbouwers) dienen uitgewerkt te worden. Een 5-tal mensen pakt deze handschoen de komende maanden op. Heeft u vragen of kennis om in te brengen? Meld u bij Jan van der Zwaan.
Op 10 november zijn de voorloper bedrijven bij elkaar geweest. Twee bedrijven zijn nadrukkelijk aan de slag gegaan met selectief droogzetten met antibiotica van koeien die een laag celgetal hebben. Naast het celgetal op koeniveau van de melkcontrole wordt ook het celgetal en de geleidbaarheid per kwartier geregistreerd. Beide melkveehouders gebruiken de DCC-methode om per kwartier een celgetal sneltest uit te voeren. De apparatuur daarvoor is in bruikleen gegeven voor het project en wordt gezamenlijk gebruikt. In de loop van volgend jaar worden ervaringen en metingen op een rij gezet.
Economie en Agrobiodiversiteit
In een agrarisch bedrijf worden dagelijks keuzes gemaakt, enerzijds operationeel anderzijds strategisch. Het is van belang dat de effecten op biodiversiteit bewust worden meegenomen in het maken van keuzes. Kennis van de bedrijfseconomische aspecten en effecten van biodiversiteitmaatregelen in de landbouw is belangrijk voor implementatie ervan. Kennis van de effecten op milieukwaliteit is van belang voor een goede inbedding in de praktijk op lange termijn en het maatschappelijk draagvlak. Het ontbreken van inzicht van de bedrijfseconomische effecten en milieueffecten van biodiversiteitmaatregelen is nog als een gemis ervaren bij de verdere kennisverspreiding en opschaling bij de toepassing op de bedrijven. In dit projectvoorstel wordt een uitwerking gegeven voor het inzicht in bedrijfseconomische en milieueffecten van biodiversiteitmaatregelen.
Plan van aanpak:
-
Visie op economische- en milieueffecten
Beide begrippen lijken elkaar uit te sluiten maar komen bij maatregelen welke gebruik maken van biodiversiteit steeds dichter bij elkaar. Daar waar steeds meer maatschappelijke partijen aanspraak maken op de effecten van hectares welke bij boeren in gebruik zijn, kan de systematiek van “ecosysteemdiensten” de verbindende schakel vormen. Voor de bodem geldt bijvoorbeeld: ecosysteemdiensten zijn nuttige functies van de bodem voor de boer én de maatschappij zoals - naast opbrengend vermogen, nutriënten-retentie en - levering ook bijv. waterretentie (opnemen, vasthouden, doorlaten), ziekten en plaagwering, klimaatfuncties en (doel)biodiversiteit. In onze berekeningen willen we met deze benadering ook zoveel mogelijk rekening houden; dat geeft ook aansluiting bij eventuele groen-blauwe diensten bij maatregelen welke niet primair bijdragen aan het saldo.
-
Vaststelling biodiversiteitmaatregelen
In de offerte is al een voorlopige keuze gemaakt voor uit te werken biodiversiteitmaat-regelen. Daarvoor is de lijst van biodiversiteitmaatregelen uit de gereedschapskist gemaakt door CLM en NMI gebruikt en de maatregelen die als kansrijk zijn benoemd in de drie proeftuinen. Bij de start van het project vindt overleg plaats met de projectleiders van de afzonderlijke proeftuinen. Daarbij wordt gekeken naar de maatregelen die daadwerkelijk uitgevoerd gaan worden en wordt rekening gehouden met de verdeling over de diverse sectoren. Ook wordt een aanzet gegeven voor de methodiek die we willen volgen om het effect van een maatregel te kunnen berekenen. We willen voorkomen dat er maatregelen gekozen worden waarvoor uiteindelijk kennis ontbreekt om het economische en milieueffect te kunnen berekenen. Het kan ook leiden tot een betere afbakening van de maatregel. Dit resultaat gaan we voorleggen aan de opdrachtgever en de projectleiders van de proeftuinen.
-
Berekening van de bedrijfseconomische kengetallen
Voor de uitwerking van de kengetallen wordt gestart met een deskstudie voor het bedrijfseconomisch en milieu effect. Vervolgens wordt met kennis van de uitvoerende organisaties het effect berekend. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van modellen, berekeningswijzen en andere software. Daar waar nodig wordt met inzichten in bedrijf en praktijkkennis en inzichten van adviseurs een berekeningswijze opgesteld. Het eerste resultaat bespreken we in een workshop met deelnemers uit de drie proeftuinen. Na bijstelling vindt definitieve beschrijving plaats.
Op twee veehouderijbedrijven gaan we samen met HAS Den Bosch en met lokale IVN en ANV afdelingen de biodiversiteit in kaart brengen. Gedurende drie jaren volgen we de biodiversiteit van planten, vogels, vlinders en die van de bodem. Onze koplopers Tonnie Meulen-steen en Albert Vink zijn de eerste waar we dit uitproberen. Onder de noemer agro-biodiversiteit zijn een groot aantal groepen organismen te scharen die te verwachten zijn op een agrarisch bedrijf (zie tabel 1). Het is echter niet mogelijk om binnen dit project op alle groepen in te gaan, daarom is er ingeperkt to vijf groepen die voldoende haalbaar en relevant (totaalscore > 0) zijn om binnen dit project te monitoren: bodemabiotiek, bodemleven, vegetatie, vlinders en weidevogels. Voor de groepen waarbij het niet haalbaar is om deze te monitoren zal aan de hand van literatuur onderzoek geprobeerd worden om bestaande waarnemingen en gegevens van deze soorten te achterhalen. Hierbij zal o.a. IVN Laarbeek, waterschap Aa & Maas en waarneming.nl geraadpleegd worden. De vijf geselecteerde groepen zijn direct of indirect met elkaar verbonden in het ecosysteem. Hieronder is aan de hand van een voedselweb (figuur 1) toegelicht wat de onderlinge relaties en belangen zijn.


De bodem abiotiek is een belangrijke schakel voor de biodiversiteit onder de grond en boven de grond (zie figuur 1). Onder andere het organische stofgehalte, de bodemstructuur en de pH van de bodem zijn van rechtstreekse invloed op het bodemleven en de vegetatie (Eekeren et al., 2003).
Het bodemleven is van invloed op de vegetatie (zie figuur 1). Wormen hebben hierbij via de bodemstructuur een belangrijke rol door het vormen van aggregaten en het opbouwen van organische stof in de bodem. Tevens worden wormen gezien als een indicator voor de biodiversiteit onder de grond (Eekeren, N. et al., 2003) en zijn een belangrijke voedselbron voor (weide)vogels.
De vegetatie is van directe invloed op de biodiversiteit, daarnaast is het tekenend voor de omgeving en het agrarisch karakter. Voornamelijk bloemranden, plaatselijke ruigtes en bijzondere soorten dragen hier veel aan bij (Hanegraaf et al. 2011). Daarnaast zijn plaatselijke waardplanten van grote invloed op het voorkomen van vlinders (zie figuur 1). Eveneens dienen planten als schuil- en broedplaatsen voor vogels. Door nutriënt uitwisseling met de bodem heeft de vegetatie ook invloed op de bodemabiotiek.
Vlinders zijn eveneens van belang voor de biodiversiteit en staan bekend als gevoelige milieu-indicatoren (Büchs, 2003; van Swaay et al., 2010). Tevens zijn ze waardevol voor natuurbeleving, waardoor ze veel kunnen bijdragen aan het agrarisch karakter. Volwassen vlinders zijn goed voor het verspreiden van stuifmeel, daarentegen kunnen de rupsen slecht zijn voor het gewas door vraat.
Weidevogels staan relatief hoog in de voedselketen en zijn afhankelijk van de vegetatie, vlinders (in mindere mate) en het bodemleven. Deze groepen dienen voornamelijk als voedsel, maar ook als beschutting en/of nestplaats (Onder andere rupsen en wormen zijn belangrijke voedselbronnen voor de vogels (figuur 1). Wiedvogels zijn ook, net als vlinders, van grote invloed op natuurbeleving van de regio. Vooral deze dieren omtrent dit onderwerp vaak genoemd.
Bij het monitoren zal gebruik gemaakt worden van gestandaardiseerde methodes om terug te kunnen koppelen en een uitbreiding te kunnen geven op reeds aanwezige gegevensbestanden. Bij het monitoren van de bodem abiotiek zal gebruik gemaakt worden van de ‘practicum handleiding bodem’ (Verboon en Maessen, 2011). Bij het monitoren van wormen zal gebruik gemaakt worden van ‘Meten en beoordelen van het functioneren van het bodemleven’ (van Eekeren et al., 2003) en bij het monitoren van vegetatie, vogels en vlinders zal de handleiding ‘samen verantwoordelijk’ van de IVN gebruikt worden.

